Geweldige fotografie van kinderen, hun slaapkamer en hun speelgoed

Een paar weken geleden in Het Volkskrant Magazine foto’s van kinderen met hun speelgoed. Vandaag zag ik de serie Where children sleep van James Mollison. Deze in 1973 in Kenia geboren fotograaf die opgroeide in Engeland maakte fijne, neutrale close-up portretten van kinderen over de hele wereld. Vervolgens fotografeerde hij ook de plek waar ze slapen.

Mijn eerste reactie was: wat een pijnlijke verschillen. Jongens en meisje met een ruime kamer in een Amerikaans huis of een appartement in Tokio komen duidelijk uit een gezin in goeden doen. Andira uit Nepal moet het doen met een rietgedekte hut. Heeft Alex uit Rio echt niet meer dan een bank?

Je zou kunnen zeggen: ze weten waarschijnlijk niet beter. Zo staan ze ook op de foto. Ze zijn vooral zichzelf – ontspannen, uitdagend, wat triest. Met hun dagelijkse omgeving ernaast is het voor de kijker niet minder confronterend. Mooi voorbeeld van een conceptuele aanpak. Geweldig in beeld gebrachte globale verschillen in levensstandaard. En – via bijv. de foto’s van de Westbank – wat machtsongelijkheid voor gevolg kan hebben.

Ook de Italiaanse fotograaf Gabriele Galimberti reisde de wereld rond om kinderen in hun eigen omgeving te portretteren. Hij maakte van elk één foto. Maar eerst vroeg hij elk meisje, elke jongen naar het favoriete speelgoed. Ook hier zijn de verschillen groot.

Toch zijn deze kinderen vooral trots zo lijkt het. Ze waren al blij met waar ze het liefste mee spelen. Nu komt er ook nog eens een meneer uit een ver land een portret van maken.

[De serie Toy Stories van Gabriele Galimberti is te zien op zijn website. Hij maakte ook een mooie serie over eten en de makers ervan. Vooral maaksters trouwens. Ook op de site van James Mollison meer interessante fotodocumentaires, zoals de portretten van de Cocoa Pickers.]

Advertenties

Sprookjesachtig blauw

Roger Hiorns bestelde in 2009 een vrachtwagen met zakken kopersulfaat, loste het op in heet water, goot de vloeistof in een waterdicht gemaakte verlaten Londense arbeiderswoning en nam een paar maanden om het geheel te laten afkoelen. De kopersulfaat sloeg in een dikke laag van kristallen neer op de wanden. Wat begon als een experiment om te onderzoeken hoe ver de hand van de kunstenaar kan worden losgemaakt van het proces dat tot een werk leidt, eindigde in een klein stelsel van sprookjesachtige ruimten waarin van alle kanten blauwer dan blauw je tegemoet schittert.

Roger Hiorns maakt vaker kunstwerken die meer een proces zijn dan een statisch werk – of daar tenminste uitdrukkelijk aandacht voor vragen. Eerder dit jaar vond in De Hallen in Haarlem zijn eerste museumsolo in Nederland plaats. In deze video vertelt hij zelf over het project.

Geluk kun je oefenen!

Naar de effecten van gedrag en verbeelding op de mate waarin we geluk ervaren, is veel onderzoek gedaan. Mooi is dat de uitkomsten daarvan vaak goed zijn om te zetten in praktische richtlijnen.

Met subsidie van de Economische Commissie is zelfs een complete toolbox met oefeningen ontwikkeld. Die zijn primair gericht op trainers en counselors, maar vaak ook heel goed individueel bruikbaar.

Geluk heeft opvallend vaak te maken met waarderen wat je hebt door je er beter bewust van te worden. Dat bewustzijn kun je vergroten door verbazend simpele oefeningen als een dagboek van ontvangen complimenten bijhouden, met volle aandacht een rozijn eten en een paar minuten je ademhaling te oefenen.

Meer oefeningen op de website van het Trimbos instituut.

21 keer en de gewoonte

Geen wetenschappelijke ondersteuning voor de maakbaarheid van routine

Recent woonde ik een studiebijeenkomst bij, waarin het kritisch vermogen van de academicus centraal stond. Dat kun je ontwikkelen, bijv. door kennis te nemen van de criteria van deugdelijk wetenschappelijk onderzoek en uitspraken over de werkelijkheid daaraan te toetsen.

Wat is deugdelijk wetenschappelijk onderzoek? Daar zijn boeken vol geschreven. In een paar zinnen samengevat: het vraagt om een duidelijke, relevante, in eerder onderzoek verankerde en heel specifieke probleemstelling. Opzet en uitvoering van het onderzoek zijn vervolgens gericht op het beantwoorden van die vraag (niets meer en niets minder), leiden tot betrouwbare metingen, op basis waarvan duidelijke uitspraken worden gedaan over wat de uitkomsten in het algemeen zeggen over de werkelijkheid.

Een goede oefening is kritisch te kijken naar claims die tot ons komen via media, op het werk, in de kroeg. We nemen algemene uitspraken graag over – vooral als we het ermee eens zijn, ze door een autoriteit of aardig persoon zijn gedaan of we ze maar moeilijk vinden (of verwerpen ze met even groot gemak om vergelijkbare redenen). Stellen we niet wat weinig vragen over het onderzoek dat ten grondslag ligt aan verkiezingspolls, managementrapportages en volkswijsheden (‘Nederland is vol’)?

Ik spreek voor mezelf als ik zeg: ja. De wereld is al moeilijk genoeg en waarom zou je overal vragen bij stellen. Nou omdat het je behoedt voor schadelijk geloof, manipulatie en misbruik, bijvoorbeeld. Daarom is het waard een beetje te oefenen met kritisch kijken naar claims over de werkelijkheid, waar ze vandaan komen en wat ze eigenlijk waard zijn.

Terug naar het college en de vraag hoe vaak je bewust onderzoek moet fileren, voordat het de onbewuste vaardigheid wordt, die je behoedt voor misleiding – vier keer, acht keer, zestien keer? In mijn hoofd dook het getal 21 op. Ik gooide het zelfverzekerd in de groep: je moet iets 21 keer doen voor het een gewoonte is. Comfortabel gebruikte de docent het als argument thuis vaak te oefenen. Het was geen punt van discussie meer.

Thuis begon het te knagen. Waar kwam die 21 vandaan? Ik heb het uitgezocht. Ik neem het terug!

In 1971 publiceerde de plastisch chirurg Maxwell Maltz een boek met de titel Psycho-Cybernetics. Daarin beschrijft hij hoe hem ‘was opgevallen dat het 21 dagen duurde voordat zijn patiënten geen fantoompijnen meer ervaarden in hun afgezette lichaamsdeel’. ‘Uit verdere observaties concludeerde hij dat het 21 dagen kost om een nieuwe gewoonte te vormen.’

Dat is een prettig idee en past goed in de veronderstelling van de laatste decennia dat succes maakbaar is, een keuze die je met effectief gedrag zelf vorm geeft. Uit die hoek komen dan ook verwijzingen naar de ‘21 dagen’. En de advertenties voor meer boeken, hulpprogramma’s, trainingen en zo meer – want zo gaat dat.

In wetenschappelijke bronnen is echter niets over de ’21 dagen’ terug te vinden. Als er onderzoek naar is gedaan, heeft dat blijkbaar geen ondersteuning opgeleverd voor Maltz’ observaties. Ik heb ook geen studies kunnen vinden die zijn conclusies ontkrachten of nuanceren. (Dat zegt niet dat ze niet gedaan zijn, maar het zou zo maar kunnen dat daaraan geen wetenschapper is begonnen. En dat is ook pijnlijk, want hoe serieus ben je dan genomen als auteur?)

In ieder geval heb ik geen enkele deugdelijke ondersteuning kunnen vinden voor de uitspraak dat het 21 dagen kost om een gewoonte te vormen. De wetenschappelijke houding is deze vooralsnog te beschouwen als een intuïtie, wens of veralgemenisering die weinig met de werkelijkheid te maken heeft.

Of toch?

Want intuïties, wensen en veralgemeniniseringen sturen ons gedrag. Daar ontsnapt niemand aan – zo is mij achteraf nog eens duidelijk geworden, terugkijkend op die achteloos in dat klaslokaal op de eerste verdieping gedeelde one-liner.

[Een korte analyse van het ontstaan van de mythe staat op Google Answers. Voorbeelden van self help websites zijn ehow.com, 21times.org, philosophers notes en de blog van Steve Aitchinson, die in een post claimt: ‘Research shows that it takes 21 days to develop a habit’, maar ondanks herhaalde verzoeken van lezers geen verwijzingen vermeldt. Wikipedia vermeldt fijntjes dat ‘hoewel de aanduidingen psycho-cybernetica and cybernetica een nauw verwantschap suggereren, het domein van de eerste en de discipline en academische positie van de tweede niet effectief zijn verbonden in publicaties, noch van de een, noch van de ander.’]

Knipoog naar de conceptuele fotografie

De uitkijkposten en boomhuizen van Eric Tabuchi zijn in alles een verwijzing naar de conceptuele series industriële installaties en gebouwen van Bernd en Hilla Becher: de zakelijke fotografie, het verstrooide licht, de eenvormigheid van de bouwsels en de wijze waarop de beelden tot een paneel zijn samengevoegd. Maar de – speciaal geconstrueerde? – bouwsels zijn zo fragiel dat het niet anders kan zijn dan dat ze net na het drukken op de ontspanknop zijn omgevallen. En Tabuchi’s atypische onderwerpkeuze is vooral een knipoog naar – en daarmee ook een postmodern eerbewijs aan – de conceptuele fotografie.

[Meer werk van Eric Tabuchi op zijn website. Al het werk daar is de moeite waard!]

26 tankstations – verlaten of niet

Het examenwerk van Chloe Weaver-Smith – de verlaten fish ‘n’ chips shops en ijskramen aan de Engelse kust van Essex – refereert aan de zakelijk documentaire stijl van Walker Evans en de opbouw van een serie in de traditie van Bernd en Hilla Becher. Er wordt vaker – en dikwijls nog veel explicieter – gerefereerd aan beelden van voorgangers.

De Amerikaan Ed Ruscha maakte in 1963 een fotoboek met afbeeldingen van 26 tankstations. Het is op het oog een fotodocumentaire. Waarom wordt het dan als legendarisch beschouwd?

De belangrijkste reden is waarschijnlijk dat Ruscha de eerste kunstenaar was die zoiets deed. Dat hij het deed veroorzaakte mede dat hij als kunstenaar tot de pop-art wordt gerekend. En dat hij daarvan een vroege vertegenwoordiger is, draagt bij in de status van het boek. Pop-art? Nou ja, je zou zijn serie immers uit kunnen leggen als een vorm van hergebruik van populair en alledaags beeld, een promotie van de commerciële beeldverwijzingen in ons dagelijks leven naar het niveau van kunst.

Er zijn meer redenen denkbaar waarom het boek zo beroemd is. De tankstations liggen alle langs de route die hij volgde als hij voor bezoek heen en weer reed naar zijn ouderlijk huis. En die volgt de Route 66 – de meest legendarische snelweg door VS. Dat kunstcritici zelfs zover gingen een parallel te trekken met de kruisweg – de statiën die Jezus doormaakte op weg naar de berg waarop hij gekruisigd zou worden – lijkt me vooral een voorbeeld van het verschijnsel dat kunst nog wel eens meer betekenis krijgt door het er uitgebreid over te hebben dan er ooit – bewust en wellicht ook wel onbewust – door de maker in is gestopt. Het helpt natuurlijk wel voor je reputatie.

De Franse fotograaf Eric Tabuchi maakte een eigentijdse variant van Buscha’s serie. Hij legde ontmantelde en verlaten uitwijkplaatsen vast, roestig en ruikend naar giftige vloeistoffen die er jarenlang waren gelekt. Heeft hij een boodschap of brengt hij vooral een saluut naar degene die het genre uitvond?

[Meer info over 26 gas stations op Wikipedia. Bekijk de slideshow van de serie van Eric Tabuchi]